Video overzicht

Charles Gounod
Faust | akte 2

  • zaterdag 13 december 2025
  • Radio Filharmonisch Orkest & Groot Omroepkoor o.l.v. Stéphane Denève

Faust – tussen ascese en overgave

In 2018 was het tweehonderd jaar geleden dat Charles Gounod werd geboren. Ter gelegenheid daarvan stelde de Franse muziekwereld zich ten doel een mogelijke oerversie van zijn Faust te reconstrueren. Een mogelijke, want er bestaat geen echte oorspronkelijke vorm van dit werk. Zonder al te veel in details te vervallen: bij de première in het Théâtre Lyrique in 1859 had de componist al talloze nummers veranderd en geschrapt die in latere versies weer opdoken, soms in aangepaste vorm. Vanaf een jaar na de première verving Gounod de gesproken dialogen in gecomponeerde recitatieven, waarbij veel oorspronkelijke dialoogtekst verdween. Het werk had succes en beleefde in Frankrijk en Europa de ene aangepaste versie na de andere, al dan niet in een andere taal – zo klonk in Londen eerst een Italiaanse en daarna een Engelse variant. Tien jaar na de première, in 1869, leek deze diaspora enigszins te stabiliseren. Voor de Opéra in Parijs stelde de componist een definitieve versie samen, met recitatieven. Maar na al dat schrappen en schuiven was hetgeen een decennium eerder had geklonken volledig aan het zicht onttrokken geraakt.

Voorbode van de naturalistische opera

De recente behoefte om een reconstructie te maken hangt samen met een zoektocht naar een rond 1850 ontstane nieuwe vorm van Franse opera, waarin Gounods oer-Faust een sleutelpositie inneemt. Er bestonden rond het midden van negentiende eeuw verschillende genres, die allemaal streng gereglementeerd waren: de chique grand-opéra aan de Opéra, de opéra-comique en de opéra-bouffe, en de Italiaanse opera. Toen intendant Léon Carvalho in 1856 het Théâtre Lyrique overnam, legde hij de nadruk op afwijkend repertoire: nieuwe Duitse romantische opera’s van Beethoven, Weber en Wagner én Franse werken die door de andere instituten werden geweigerd, zoals van Berlioz en Bizet. Langzaam maar zeker ontstond daar een nieuw soort muziektheater, met herkenbare, meer naturalistische onderwerpen. Die hielden het midden tussen serieus en komisch, soms met een sentimenteel randje. Deze vorm werd ‘opéra comique de demi-caractère’ genoemd.

Gounods geleerde Faust mag dan wel de mythische oude grijsaard zijn die zijn ziel aan de duivel Méphistophélès verkoopt om weer jong te kunnen zijn, maar al in de eerste scènes is duidelijk dat we hier met een nogal alledaagse mythe te maken hebben. Faust beklaagt zijn tragische levenslot met zijn beroemde openingswoord ‘rien’, het existentiële niets. Maar als hij het flesje met gif aan zijn mond wil zetten om zelfmoord te plegen zingt hij opgewekt: ’Salut! ô mon dernier matin!’ (Gegroet! Mijn allerlaatste ochtend!). De daaropvolgende koren van jonge meisjes en land­arbeiders weerhouden hem vooralsnog van deze zelfdoding.

Met zijn leerlingen Wagner en Siebel heeft Faust ook nogal alledaagse discussies. Dat heeft een functie. Hun verhalen over oorlog en liefde wakkeren zijn verlangens en lusten aan. Zo komt het aanroepen van de duivel veel natuurlijker voort uit een toenemende frustratie. Met tot gevolg dat Faust in een lyrisch-heroïsche ‘évocation’ die duivel aanroept om hem te helpen: ‘À moi, Satan! À moi!’ Er volgt een duet waarin hij zich overgeeft aan de macht van het kwade. Eerst alleen, en later met de duivel samen, zingt hij een vreugdevolle melodie: ‘À moi les plaisirs!’ (Voor mij de genoegens). Hier verheugt hij zich erover dat Méphistophélès hem gered heeft en het sensuele plezier eindelijk zal terugkeren.

Dat de Duitse letterkundigen opkeken van deze secularisering van Goethes heilige Faust-mythe verbaast niet. En toch: uit deze sentimentele ‘demi-caractère’ zou de moderne naturalistische opera van de tweede helft van de negentiende eeuw ontstaan.

‘Zangers, publiek en critici waren van streek.’

Voordat Gounod aan zijn Faust begon was er in Frankrijk al enig voorwerk verricht. In de winter van 1827-1828 had schrijver Gérard de Nerval het omvangrijke toneelstuk van Goethe vertaald. Hector Berlioz raakte meteen enthousiast en voltooide een jaar later zijn Huit scènes de Faust, die hij in 1846 opnam in zijn grote compositie La damnation de Faust. Charles Gounod had de vertaling gelezen en raakte onder de indruk van de versie van Berlioz. Langzaam groeide het onderwerp in zijn hoofd: ‘Faust heb ik altijd dicht op mijn hart gedragen […] en ik ben ervan overtuigd dat het een groot plezier voor mij zal zijn om deze taak op me te nemen, waartoe ik me op veel verschillende manieren aangetrokken voel en die aan veel van mijn behoeften tegemoetkomt.’ In zijn eigen versie klinkt de invloed van Berlioz door. Gounod bekende dat diens muziek tot de grootste emotionele invloeden van zijn jeugd behoorden. De twee componisten hebben elkaars werken trouwens altijd gewaardeerd.

In de tussentijd had Michel Carré het toneelstuk Faust et Marguerite geschreven, dat in 1850 was uitgevoerd. Dit stond model voor het libretto dat Jules Barbier met Carré in 1856 samenstelden. Samen met de componist togen zij naar intendant Léon Carvalho, maar die wees het onderwerp eerst af omdat een concurrerend theater dezelfde titel had uitgebracht. Twee jaar later kwam er een herkansing, waarna Gounods nieuwe opera in 1859 voor het eerst kon worden uitgevoerd in het Théâtre Lyrique. Later schreef hij: ‘Faust was geen overrompelende triomf, maar het was mijn grootste succes in het theater tot nu toe. […] Wat de partituur betreft, die was zo controversieel dat ik weinig hoop had op succes. Zangers, publiek en critici waren redelijk van streek.’ Deel van de verwarring lag in de onwennigheid met het nieuwe genre van het ‘demi-caractère’.

Ze bleef een moment sprakeloos…

De nieuwe ontwikkelingen werken ook orkestraal en vocaal in de opera door. Met het veelvuldig gebruik van de gesproken dialogen ontstaat een andere verhouding tussen tekst en muziek. De scherpe tegenstelling tussen spreken en zingen wordt hier en daar overbrugd door de toepassing van het zogenaamde melodrama. Dat is gesproken tekst met een vrije muzikale begeleiding, die veelal alternerend met de teksten de emoties kleurt en verhevigt. Gounod had dit procedé onder andere kunnen horen in het Théâtre Lyrique waar Der Freischütz (1821) van Carl Maria von Weber werd uitgevoerd, een werk dat eigenlijk ook een Faustverhaal is.

In de beroemde ‘Wolfsschluchtszene’ maakt Weber gebruik van het melodrama om de spookachtige ontmoeting met de duivel te schilderen. Echo’s daarvan zijn hier in het eerste bedrijf te horen. Faust is samen met Méphistophélès op de kermis waar soldaten en studenten feestvieren. Langzaam maar zeker beginnen Wagner en Siebel te vermoeden dat Méphistophélès een wel heel merkwaardige gast is: ‘Vous êtes donc sorcier?’ (U bent dus een tovenaar?). Om de ongemakkelijke spanning te laten klinken maakt Gounod hier gebruik van het Weberiaanse melodrama.

Maar de grootste kwaliteit ligt in de lyrisch-romantische delen. Beroemd is de tuinscène met het liefdesduet tussen Faust en Marguerite. ‘Laisse-moi contempler ton visage’ (Laat me naar je gezicht kijken) zingt Faust, waarna hij zijn verleidingspoging succesvol uitvoert. Op het moment suprême houdt hij zich echter in, ware het niet dat Méphistophélès hem vervolgens dwingt de poging door te zetten. Marguerite zwicht en wordt zwanger. De regieaanwijzing is decent: ‘Elle reste un moment interdite et laisse tomber sa tête sur l’épaule de Faust’ (Ze bleef een moment sprakeloos en liet toen haar hoofd op Fausts schouder vallen). Later vroeg Gounod zich af hoeveel zondevallen deze scène in werkelijkheid heeft veroorzaakt. Dit was ook een thema in zijn eigen leven, waarin hij voortdurend schommelde tussen katholieke ascese en sensuele overgave.

Een symfonisch hoogtepunt is de bekende kerkscène in het derde bedrijf. Het is de eerste muziek die Gounod voor deze opera componeerde. Met een grootse orgelklank klinkt in de kerk de hevige strijd tussen goed en kwaad om de ziel van de moreel gevallen Marguerite. De duivel bedient zich slinks van prachtige religieuze melodieën met orgelbegeleiding, waarin de koperblazers het Laatste Oordeel al lijken aan te kondigen. Het contrasterende koor van religieuzen zingt daarentegen in eenvoudige maar pakkende koralen. Als Marguerites zang contrapuntisch samensmelt met het koor van religieuzen lijkt haar ziel vooralsnog gered te zijn. Maar de demonen laten haar niet los.

Dan zijn er de aria’s en liederen die Gounod van meeslepende melodieën voorziet, waarmee ze uitgroeiden tot iconische opera­momenten, gezongen door onder andere Faust, Méphistophélès, Siebel en Valentin, de broer van Marguerite. Over Marguerites juwelenaria ‘Ah! je ris de me voir si belle’ (Ik moet lachen om mijn schoonheid) zullen we voor deze ene keer geen flauwe grappen maken. Te meer omdat het in vocaal opzicht het virtuoze en briljante hoogtepunt van de opera is. Dit in tegenstelling tot haar ingetogen ballade ‘Le roi de Thulé’ (De koning van Thule) en het verontrustende ‘Il ne revient pas’ (Hij komt niet terug), wat Gounods versie van Gretchen am Spinnrade is. Bijzonder is eveneens de aria ‘Salut, demeure, chaste et pure’ (Ik groet u, kuise en zuivere woning) van Faust, die op dat moment de slaapkamer van Marguerite betreedt. Gounod zet hier een voix mixte in, waarbij zowel in de borststem als in de falsetstem wordt gezongen, de typische stijl van een ténor de demi-caractère. Ook de karakter-basbariton van Méphistophélès kenmerkt zich door wendbaarheid en ironische finesses.

Populariteit

Faust van Gounod was ongelooflijk succesvol. Zijn uitgever Choudens kon er decennialang van bestaan en het werk bleef lange tijd een blockbuster in de internationale operawereld. Was dit alleen een muzikaal en vocaal succes? Een deel van het antwoord op deze vraag ligt elders. Na de nogal libertijnse zeventiende en achttiende eeuw in de opera verwijderde rond de Franse revolutie het genre zich van het ‘discours van de lust’. Na die revolutie was men in Europa in een nogal victoriaanse cultuur terechtgekomen. Gounods persoonlijke strijd tussen contemplatie en driften illustreert dit emotionele probleem. Het verscheurde hem. De figuur van Faust, zoals Goethe hem interpreteerde, illustreerde eveneens die existentiële gespletenheid. In de opera verwoordt Faust het in een dialoog met Méphistophélès als volgt: ‘Dieu tout puissant! Comment ta main a-t-elle créé ce grossier mélange de boue et de feu?’ (Almachtige god! Hoe heeft uw hand zo’n brute mengeling van modder en vuur kunnen scheppen?).

Die psychische gespletenheid is één ding, de omgang met gevoelens van lust een ander. Met de Faustfiguur werd eveneens de seksualiteit herontdekt en gethematiseerd. Vlak voordat hij Marguerites slaapkamer betreedt en hoogdravend zingt over de kuise en zuivere woning, had Faust zijn bedoelingen al kenbaar gemaakt: ‘Je ne voulais que de rapides plaisirs’ (Ik wilde alleen maar snelle genoegens). Nu kan het zo zijn dat haar onschuld hem op andere gedachten heeft gebracht, maar Marguerite wordt toch zwanger, wordt vervolgens verdoemd en pas op het nippertje gered. Toen de componist later nadacht over een Faust II-opera, zei hij terugblikkend over zijn eerdere werk: ‘[Faust] heeft de beker van de vulgaire sensualiteit tot op de bodem leeggedronken.’ Met dit tweede deel wilde hij de zonden van het eerste goedmaken: ‘Laat mijn werk ten onder gaan, laat zelfs Faust ten onder gaan.’

Willem Bruls

Uitvoerenden

Stéphane Denève | dirigent

  • vaste gastdirigent Radio Filharmonisch Orkest (2023-)
  • music director St. Louis Symphony Orchestra, artistiek leider New World Symphony
  • affiniteit met muziek uit geboorteland Frankrijk
  • voorvechter van muziek uit de eenentwintigste eeuw
  • operaproducties in Covent Garden, Opéra National Parijs, Glyndebourne Festival, La Scala, Deutsche Oper Berlin, De Nationale Opera (o.a. Pelléas et Mélisande Holland Festival 2019)
  • studie: Conservatorium Parijs, begin carrière samenwerking met Sir Georg Solti, Georges Prêtre, Seiji Ozawa

Martin Wright | koordirigent

  • chef-dirigent Groot Omroepkoor 1993-2002
  • wereldpremières, Prinsengrachtconcerten, Meezingconcerten Radio Filharmonisch Orkest & Groot Omroepkoor
  • Chordirektor Staatsoper Berlin 2013-2023, eerder koorleider bij o.a. De Nationale Opera, Chicago Lyric Opera, de Nederlandse Reisopera
  • geboren in Idaho, eerder 25 jaar lang zanger, daarna masterclasses en repertoirecoach voor zangers

Pene Patti | tenor (Faust)

  • afkomstig van Samoa
  • dit seizoen titelrollen Les contes d’Hoffmann (Staatsoper Berlin), Werther (Opéra Comique & Raphäel Pichon), La clemenza di Tito (Opernhaus Zürich & Marc Minkowski), en Egdardo (Lucia di Lammermoor, La Scala)
  • Faust eerder bij Opéra national de Paris, Nemorino (L’elisir d’amore) ook daar en bij San Francisco Opera; Duca (Rigoletto) in Staatsoper Berlin, Verona en Metropolitan; Roméo (Roméo et Juliette) in San Francisco, Bordeaux en Opéra Comique, titelrol La damnation de Faust in Monte-Carlo, Alfredo (La traviata) in Staatsoper Berlin, Deutsche Oper Berlin en De Nationale Opera

Vannina Santoni | sopraan (Marguerite)

  • 2018 titelrol La traviata (Théâtre des Champs-Élysées)
  • dit seizoen Marguerite in Gounods Faust bij Opéra Royal de Versailles en Opéra de Tours, La Vierge in Honeggers Jeanne d’Arc au bûcher (Orchestre Philharmonique de Radio France), debuut Teatro dell’Opera di Roma (Gounods Roméo et Juliette/Juliette; eerder in La Scala)
  • eerder in Champs-Élysées: Blanche de la Force (Dialogues des Carmélites), titelrol Massenets Grisélidis, Debussy’s Mélisande; in Liceu Barcelona: Liu in Turandot

Anthony Robin Schneider | bas (Méphistophélès)

  • uit Oostenrijk en Nieuw-Zeeland
  • 2019-2024 verbonden aan Oper Frankfurt, waar hij rollen als Hercules (Händel), Heinrich (Lohengrin; ook bij De Nationale Opera), Bartolo (Le nozze di Figaro), Grootinquisiteur (Don Carlo) en Sparafucile (Rigoletto) zong
  • 2021-2024 Fafner (Das Rheingold, Siegfried) en Hunding (Die Walküre) in Brigitte Fassbaenders Ring in Erl
  • verder: Semperoper, Wiener Staatsoper, Houston Gand Opera, Wiener Staatsoper, Santa Fe Opera,Komische Oper Berlin

Florian Sempey | bariton (Valentin)

  • studeerde in Bordeaux
  • vorig seizoen Opéra de Monte-Carlo (Marcello in La bohème, L’enfant et les sortilèges en L’heure espagnole, Zürich (Malatesta in Don Pasquale), Santa Fe (Conte in Le nozze di Figaro), Opéra de Paris (Valentin in Gounods Faust), Théâtre des Champs-Elysées (titelrol Don Giovanni) en Festival Aix-en-Provence (Zurga in Les pêcheurs de perles)
  • dit seizoen Ford in Falstaff (Marseille, zijn eerste Verdi), Valentin (Valencia en Bayerische Staatsoper) en Joseph in L’enfance du Christ in het AVROTROS Vrijdagconcert

Nina van Essen | (mezzosopraan) Bianca

  • Nederlandse mezzosopraan, was 2019-2024 verbonden aan Staats­oper Hannover
  • in het voorbije seizoen o.a. Siebel (Gounods Faust) en Hermia (Brittens Middsummer night’s dream)
  • eerste prijs én prijs voor beste vrouwenstem op het Concorso Lirico Internazionale di Portofino 2023
  • optredens in La Scala, Théâtre des Champs-Élysées, De Nationale Opera en Theater an der Wien

Sylvie Brunet-Grupposo | mezzosopraan (Marthe)

  • Française, debuut met titelrol in Iphigénie en Tauride (La Scala, Riccardo Muti)
  • dit seizoen Madame de Croissy in Dialogues des Carmélites (Wiener Staatsoper, Teatro Regio Torino)
  • optredens in Parijs, Lyon, Festival d’Aix-en-Provence, Genève, Brussel, München, Frankfurt, San Francisco, Tokyo en Madrid
  • werkte samen met dirigenten als Antonio Pappano, Kent Nagano, Marc Minkowski en Esa-Pekka Salonen

Michael Wilmering | bariton (Wagner)

  • debuteerde dit seizoen in De Munt in Ali van Grey Filastine
  • dit seizoen ook Macheath in Die Dreigroschenoper (Opera Zuid) en Seven in Philip Venables’ We Are the Lucky Ones (Ruhrtriennale)
  • vorig seizoen Lieder eines fahrenden Gesellen (Staats­oper Stuttgart), Winterreise (Slot Zeist) en Der Einäugige in Die Frau ohne Schatten (De Nationale Opera)
  • bij DNO eerder d’Obigny (La traviata), Le Dancaïre (Carmen), en Denis in Venables’ Denis & Katya, bij Opera Zuid Papageno (Die Zauberflöte) en Junior (A quiet place)

Radio Filharmonisch Orkest

  • opgericht in 1945 door Albert van Raalte
  • treedt vooral op in de omroepseries NTR ZaterdagMatinee en AVROTROS Vrijdagconcert
  • chef-dirigent sinds 2019: Karina Canellakis
  • haar voorgangers o.a. Paul van Kempen, Bernard Haitink, Jean Fournet, Hans Vonk, Edo de Waart, Jaap van Zweden en Markus Stenz
  • vaste gastdirigent sinds 2023: Stéphane Denève

 

Groot Omroepkoor

  • zingt koorpartijen in opera’s, oratoria en cantates in de concertseries van de Nederlandse Publieke Omroep, en a cappella
  • werkt samen met het Radio Filharmonisch Orkest en Koninklijk Concertgebouworkest.
  • eerste officiële chef-dirigent Kenneth Montgomery
  • chef-dirigent sinds 2020: Benjamin Goodson
  • opgericht in 1945

 

Gerelateerde concerten

Steun

Word Vriend van de Matinee

Als trouwe bezoekers willen wij een bijdrage leveren aan het in stand houden van het unieke karakter en de hoge kwaliteit van de ZaterdagMatinee. Daarom: word Vriend of Genoot van de Matinee

Vrienden

Blijf op de hoogte!

Meld je aan voor de nieuwsbrief.

Video overzicht


Barbara Hannigan zingt 'Let me tell you'

  • Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Karina Canellakis

Sagen en legenden

Voor zijn tragedie Hamlet greep Shakespeare terug op een sage van de Vikingen, in de twaalfde eeuw opgetekend door Saxo Grammaticus in zijn kroniek Gesta Danorum (Daden der Denen). De Deense componist Hans Abrahamsen geeft Hamlets liefje Ophelia een hoofdrol in zijn lyrische liederencyclus Let me tell you. Wagner liet zich voor Parsifalinspireren door een epos van Wolfram von Eschenbach uit de dertiende eeuw over de gelijknamige graalridder die zich ontpopt als verlosser in de geest van Christus. Ook Sibelius greep voor zijn Lemminkäinen-suite terug op een oude sage, over een vrouwenversierder die na zijn verscheiden opstaat uit de dood.

Richard Wagner: Ouverture tot Parsifal

Parsifal was Wagners laatste opera, die in 1882 in première ging in het Festspielhaus in Bayreuth. Aan dit ‘Bühnenweihfestspiel’ ging een lange ontstaansgeschiedenis vooraf. Het eerste vonkje sloeg over op Wagner toen hij in 1845 Parzival van Wolfram von Eschenbach las, een episch verhaal over de gelijknamige graalridder uit de dertiende eeuw. Twaalf jaar later voltooide hij een eerste concept in Zürich, in het vakantiehuis dat Otto en Mathilde Wesendonck hem ter beschikking hadden gesteld.

Hoewel het thema hierna geregeld terugkeert in zijn correspondentie met Mathilde, neemt hij de opera pas weer op in 1865. Op verzoek van Koning Lodewijk II van Beieren maakt hij een korte beschrijving van het verhaal en schetst de voornaamste personages. Maar vervolgens duurt het nog tot 1877 voor hij opnieuw de draad oppakt en een eerste volledige tekstontwerp maakt. Dan begint hij te componeren en een jaar later voltooit hij het eerste bedrijf.

Het voorspel (door Wagner zelf ‘Prelude’ genoemd) wordt op kerstdag 1878 uitgevoerd in zijn huis Wahnfried, als verjaardagscadeau voor zijn tweede vrouw Cosima. Hierna verfijnt hij de orkestratie en componeert de volgende twee bedrijven; begin 1882 is de complete opera af.

Het heidens-christelijke verhaal laat zich lastig samenvatten. Het komt erop neer dat de graalridders twee belangrijke relikwieën zijn kwijtgeraakt: de kelk van het laatste avondmaal en de speer waarmee Christus’ zijde werd doorboord. Deze zijn nu in handen van de tovenaar Klingsor, door een onbesuisde actie van Koning Amfortas. Hij viel voor de charmes van Klingsors medeplichtige Kundry en raakte verwond door de speer die hij probeerde terug te veroveren. Alleen een ‘reine dwaas’, ongevoelig voor zonde, kan verlossing brengen: Parsifal. Deze onschuldige jongen weerstaat Kundry’s verleidingskunsten, herovert de speer op Klingsor, geneest Amfortas en wordt tot koning van de graalridders gekroond.

Net als de opera valt ook de Prelude uiteen in drie delen. De opening is fluisterzacht, met een traag stijgend motief van gedempte strijkers, fagotten, klarinetten en althobo, waarin zich gaandeweg de overige houtblazers en het koper mengen. Een solo trompet herhaalt dit ‘Avondmaalthema’, waarna het nogmaals klinkt, maar dan in mineur. De sfeer is breekbaar, gewijd en plechtstatig. De muziek stijgt naar steeds grotere hoogten en sterft na ongeveer vijf minuten zachtjes weg.

Na een generale pauze zetten trompetten en trombones het ‘Graalthema’ in; een stijgende secunde gevolgd door een kleine terts, waarna stapsgewijs naar het octaaf toe wordt gespeeld. Hierop volgt het statige ‘geloofsmotief’ van hoorns en trompetten: een kwartsprong omhoog van Es naar As gevolgd door een terugkeer naar de uitgangstoon in de grondtoonsoort As-groot van de prelude.

In twee stijgende secundes wordt vervolgens toegewerkt naar een luide, zes tellen aangehouden G: we zijn gemoduleerd naar de dominant Es-groot. Toch klinkt deze wending als een verlossing. In gevarieerde herhalingen wordt het koraal martialer en luider, maar na enkele minuten keert de delicate sfeer terug en treedt opnieuw verstilling in. 

Tegen ultrazachte tremoli van pauken en lage strijkers zetten klarinetten en fagotten het derde deel in, met een wederom stijgend motief dat sterk verwant is aan het openingsthema. Ook dit wordt door verschillende instrumentgroepen in wisselende toonsoorten herhaald, doorsprenkeld met referenties aan de eerdere motieven. De prelude eindigt pianissimo, wederom in Es-groot.

De vele modulaties versluieren de grondtoonsoort en maken muzikaal invoelbaar dat niet alles pluis is in het domein van de Graal. Het knappe van Wagner is dat de hele, vijf uur durende opera gebouwd is op leidmotieven die grotendeels in het grondthema besloten liggen.

Hans Abrahamsen: Let me tell you

Hans Abrahamsen hoopt in december 2022 zijn zeventigste verjaardag te vieren, maar staat nu al in de schijnwerpers bij de NTR ZaterdagMatinee. Afgelopen januari beleefde het Hoornconcert zijn Nederlandse première; in mei speelt Asko|Schönberg zijn trilogie Winternacht / Wald / Schnee, en een maand later volgt de Nederlandse première van zijn op een sprookje van Andersen gebaseerde opera The Snow Queen.

Zijn naam zong al enkele decennia rond in het moderne­muziekcircuit, waar hij gold als een geheimtip voor fijnproevers. Pas in 2013 brak hij door bij het grote publiek met zijn voor Barbara Hannigan gecomponeerde liederencyclus Let me tell you. Zij bracht deze in 2013 in première met de Berliner Philharmoniker en zong een jaar later de eerste Nederlandse uitvoering met het Rotterdams Philharmonisch Orkest in de Doelen en in de NTR ZaterdagMatinee.

Critici en publiek waren diep onder de indruk. “Een bruisende fontein sproeit ondefinieerbare, hoge klanken van klokkenspel, houtblazers en violen en maakt zo de kracht van Ophelia’s liefde voelbaar”, schreef Biëlla Luttmer in de Volkskrant. Zij vergeleek de vegende brushes in de sterfscène aan het slot met een “tot klank gestolde sneeuwscène uit Thomas Manns roman Der Zauberberg”.

In 2016 werd Let me tell you bekroond met de gezaghebbende Amerikaanse Grawemeyer Award. Een jaar later verscheen de liedmonoloog op een cd, die opnieuw jubelrecensies kreeg. Volgens de NRC werd een ‘magisch prisma klanken’ omgetoverd tot ‘verblindende lichtstralen of donzige sneeuwval’, The Guardian hoorde een ‘winterse orkestklank, een magische waaier van sprookjesachtige microtonale klanken’. De Britse Gramophone repte van ‘een kleine, tragische Winterreise’.

Abrahamsen componeerde Let me tell you op verzoek van Barbara Hannigan, die onder de indruk was van zijn subtiele kleurgebruik en de emotionele zeggingskracht van zijn muziek. In een interview met ondergetekende zei ze hierover: “Ik bewonder zijn originaliteit en zachtmoedigheid. […] Ik heb met Hans alle mogelijkheden van mijn stem doorgenomen, maar hem op het hart gedrukt dat grenzen altijd doorbroken kunnen worden.”

De titel Let me tell you is ontleend aan de gelijknamige novelle van Paul Griffiths uit 2008, waarin Ophelia haar verhaal doet in precies de 481 woorden die Shakespeare haar in Hamlet te spreken geeft. Door deze telkens anders te rangschikken, creëert Griffiths een soort autobiografie, waarin Ophelia reflecteert op haar leven. Van een weerloos slachtoffer transformeert ze in zo’n dertig minuten tot een zelfbewuste vrouw die haar lot in eigen handen neemt.

Griffiths stelde een driedelig libretto samen, verdeeld over zeven gezangen. In deel 1, ‘Let me tell you how it was’, kijkt Ophelia terug, naar een tijd dat er ‘no music’ in haar leven was. Abrahamsen schetst met hoge piccolotonen en klokachtige klanken van een celesta een ijle, verdroomde wereld waarin elke beweging gestold lijkt te zijn. De sopraan baant zich al tastend een weg door stratosferische hoogten en afgrondelijke laagten, met lang aangehouden tonen en een soms stotende stem à la de stile concitato van Monteverdi.

Deel 2, ‘Let me tell you how it is’, is een gepassioneerde liefdesverklaring aan Hamlet – ‘you have sun-blasted me / and turned me to light’. De muziek is beweeglijk en gepassioneerd, met felle coloraturen van de sopraan en wervelende cascades van glasachtige klanken na haar verzuchting ‘You have made me like glass – like glass in an ecstasy from your light / like glass in which light rained.’

In het afsluitende deel, ‘I know you are there’, kijkt Ophelia naar de toekomst: ‘I will find you’, zingt ze, terwijl ze een besneeuwde wereld binnenstapt vol identieke ijsbloemen. De sereniteit van het eerste deel keert terug, met uitgesponnen lijnen van de sopraan deinend op een zee van breekbare, traag verglijdende klankweefsels. ‘I will go on’, besluit ze, terwijl een slagwerker haar schuifelende voeten in de sneeuw imiteert door een vel papier over een grote trom te wrijven.

Terwijl de muziek langzaam wegebt, zweeft ons vanuit de haast gewijde stilte een vraag tegemoet: sterft Ophelia, of treedt zij een nieuw leven binnen?

Jean Sibelius: Lemminkäinen-suite

Zoals Wagner zich voor zijn opera’s liet inspireren door Germaanse sagen en legenden, zo putte Sibelius dankbaar uit de Karelische en Finse folklore, verzameld in het nationale epos Kalevala. Geïnteresseerd bezocht hij in 1890 in Berlijn uitvoeringen van Tannhäuser en Parsifal, die hij echter ervoer als zware kost. Hij stelde zijn oordeel bij toen hij in de jaren hierna in Wenen, Bayreuth en München ook een groot deel van de andere opera’s van zijn Duitse collega hoorde.

Hij bestempelde zichzelf tot ‘Wagneriaan’ en besloot ook zelf een opera te componeren, volgens het model dat Wagner had uitgewerkt in zijn essay Oper und Drama. Voor het libretto koos hij twee zangen uit Kalevala over de halfgod Väinämöinen, schepper van de wereld en schutspatroon van poëzie, liederen en magie.

Een van de scènes zou diens afdaling naar Tuonela beschrijven, het rijk van de doden. Sibelius begon meteen aan een ouverture, die hij in 1893 voltooide. In het voorwoord beschreef hij hoe het Dodenrijk omringd wordt door een snel stromende rivier met zwart water, ‘waarop de Zwaan van Tuonela voortgaat, majesteitelijk en zingend’. Hierna liet zijn inspiratie hem in de steek.

Toen hij de Faust-symfonie van Liszt bestudeerde, realiseerde hij zich dat het genre van het symfonisch gedicht (een vertelling voor orkest zonder zang) hem beter lag dan opera. “Ik ben meer een toonschilder dan een dichter”, schreef hij aan een bekende. Sibelius besloot in plaats van een operaproject een orkestsuite te baseren op de thematiek en hierin het muzikale materiaal te verwerken dat hij inmiddels had gecomponeerd.

Ook koos hij een andere hoofdpersoon: in plaats van de oude, wijze Väinä­möinen kwam de knappe vrouwenversierder Lemminkäinen. De resulterende Lemminkäinen-suite is in wezen een aaneenrijging van symfonische gedichten, die Sibelius zelf de ondertitel ‘vier legenden’ meegaf. Samen vertellen zij losjes het verhaal van de titelheld. (Aanvankelijk zette hij ‘De Zwaan van Tuonela’ op de derde plaats, later verhuisde deze naar de tweede. Tegenwoordig wordt soms de eerdere volgorde uitgevoerd).

Lemminkäinen ‘had duizend bruiden en liet duizend weduwen na’, stelt de Kalevala droogjes. Deze door alle dames begeerde Adonis kan het mooiste meisje echter enkel krijgen indien hij de Zwaan van Tuonela doodt. Dat mislukt, omdat een jaloerse rivaal hem dodelijk verwondt, zijn lichaam in stukken snijdt en in de heilige rivier gooit. Zijn moeder vist deze uit het water, naait ze aan elkaar en wekt Lemminkäinen vervolgens met een druppel honing weer tot leven.

Maar van een doorlopend verhaal is eigenlijk geen sprake, Sibelius koos van elke legende vooral de sfeer die hij muzikaal wilde verklanken. In ‘Lemminkäinen en de meisjes van het eiland’ klinken smachtende signaalmotieven van klarinetten en hobo’s tegen ondulerende motieven van de strijkers, als de klotsende golven tegen het bootje waarmee Lemminkäinen naar het eiland vaart. Lichtvoetige figuraties in hout- en koperblazers evoceren dansende maagden.

In ‘De zwaan van Tuonela’ laat Sibelius fluiten, klarinetten (behalve de basklarinet) en trompetten achterwege en spelen de strijkers veelal in het hoge register. Zo ontstaat ruimte voor de lyrische, uitgesponnen solo van de althobo, gedragen door ingehouden tremoli van het strijkerscorps, pauken en grote trom. Het statische, ragfijne klankweefsel creëert een tranceachtige, magische sfeer..

‘Lemminkäinen in Tuonela’ heeft een duistere toon, waarin geagiteerd tremolerende lage strijkers de kwade geesten van het Dodenrijk verbeelden. De spanning bouwt op naar een fortissimo uitgeschreeuwd dissonant akkoord, dat zich ontlaadt in een wervelende cascade van dalende zestienden in de strijkers. De rust keert weer en de houtblazers spelen lieflijke cantilenen tegen etherische strijkers. Dit wiegenlied representeert de ‘liefde waarmee Lemminkäinens moeder zijn brokstukken uit de rivier harkt’, vertelde Sibelius in 1948 aan zijn schoonzoon. Even klinkt weer de onheilspellende muziek van het begin, maar het deel eindigt met een hoopvol stijgende lijn van een solo cello gevolgd door een heilzame stilte.

Het vierde en laatste deel, ‘Lemminkäinens terugkeer’ is een opzwepend rondo, met razendsnelle figuraties in de strijkers en een terugkerend drietoonsmotief dat door de fagotten wordt geïntroduceerd. De ritmiek herinnert aan galopperende paarden en we jagen af op een triomfantelijk en feestelijk einde in Es-groot; Lemminkäinen is weer veilig thuis.

Sibelius bleef schaven aan zijn Lemminkäinen-suite en pas in 1939 voltooide hij de definitieve versie. Acht jaar later gooide hij alsnog de volgorde om, maar het zou tot 1954 duren voor deze versie daadwerkelijk in druk verscheen.

 Thea Derks

 

Uitvoerenden

Karina Canellakis

  • sinds 2019 chef-dirigent Radio Filharmonisch Orkest
  • vaste gastdirigent London Philharmonic Orchestra
  • dit seizoen: optredens bij Lucerne Festival en Musikfest Berlin (Boulez 1925-2025), bij de Wiener Philharmoniker
  • (Mozartwoche Salzburg) en met Blauwbaards burcht (Bartók) Staatsoper Hamburg
  • Grammy-nominatie voor Bartók-cd met RFO
  • eerder: Der Rosenkavalier (Strauss, Santa Fe), Dialogues des carmélites (Poulenc, Théâtre des Champs-Élysées)
  • begon loopbaan als violist, groeide op in New York
  • won in 2016 Sir Georg Solti Award

Barbara Hannigan

Als sopraan en dirigent brengt Barbara Hannigan producties met Simon Rattle, Sasha Waltz, Kent Nagano, Vladimir Jurowski, John Zorn, Andreas Kriegenburg, Andris Nelsons, Esa Pekka Salonen, Christoph Marthaler, Antonio Pappano, Katie Mitchell, Kirill Petrenko en Krszysztof Warlikowski. Reinbert de Leeuw was van grote invloed op haar ontwikkeling als musicus. De Canadese verzorgde ruim 85 wereldpremières. Zij werkte intensief samen met componisten als Boulez, Zorn, Dutilleux, Ligeti, Stockhausen, Sciarrino, Barry, Dusapin, Dean, Benjamin en Abrahamsen. In seizoen 2020-2021 zij, als artist in residence bij het Orchestre Philharmonique de Radio France, met videokunstenaar Denis Guéguin een live videoproductie van La voix humaine, dat zij zowel zingt als dirigeert. Zij trad onder meer op met Sir Simon Rattle en het London Sym­phony Orchestra en bij het Festival d’Aix-en-Provence en vierde haar vijftigste verjaardag in de ZaterdagMatinee. Dit seizoen keerde zij terug naar de Brusselse Munt als Lulu in de herneming van haar Lulu-productie met Warlikowski uit 2012. La voix humaine brengt haar weer naar het LSO en München. Zij zingt een wereldpremière van Zosha di Castri met het Toronto Symphony Orchestra en brengt concerten met vocaal repertoire van John Zorn in Antwerpen, Hamburg en Modena. Haar album ‘Crazy Girl Crazy’ (2017) werd onderscheiden met een Grammy Award en een Edison. Haar nieuwste album ‘La Passione’ omvat werken van Nono, Haydn en Grisey. Barbara Hannigan richtte in 2017 Equilibrium Young Artists op, en in 2020 Momentum: our Future Now, waarmee zij kunstenaars en organisaties aanmoedigt jongere professionele musici te begeleiden. Haar werk werd in 2020 bekroond met de Glashütte Original MusikFestspielPreis, en in 2021 met de Deense Léonie Sonning Muziekprijs; de geldelijke component van beide doneerde zij aan initiatieven voor jonge kunstenaars. De in Nova Scotia geboren Barbara Hannigan woont in Finistère, aan de noordwestelijke kust van Frankrijk.

Eerder in de Matinee Rihm Dies ‘Luigi Nono gewidmet’ (2003), Ligeti/Howarth Mysteries of the Macabre (2003), Dutilleux Correspondances (2004), Stravinsky Les noces (2005), Ligeti/Howarth Mysteries of the Macabre (2007), Boulez Pli selon pli (Portrait de Mallarmé) (2011), Britten/C. Matthews Three songs for Les Illuminations & Britten Les Illuminations (2013), Dutilleux Correspondances (2013),

Abrahamsen Let me tell you (2014), werken van Nono, Haydn, Mozart en Stravinsky (2014), werken van Copland, Haydn, Barry en Weill/Elliott (2021)

Radio Filharmonisch Orkest

  • opgericht in 1945 door Albert van Raalte
  • treedt vooral op in omroepseries NTR ZaterdagMatinee en AVROTROS Vrijdagconcert
  • chef-dirigent sinds 2019 Karina Canellakis, voorgangers o.a. Paul van Kempen, Bernard Haitink, Jean Fournet, Hans Vonk, Edo de Waart, Jaap van Zweden, Markus Stenz
  • vaste gastdirigent sinds 2023 is Stéphane Denève

Gerelateerde concerten

Steun

Word Vriend van de Matinee

Als trouwe bezoekers willen wij een bijdrage leveren aan het in stand houden van het unieke karakter en de hoge kwaliteit van de ZaterdagMatinee. Daarom: word Vriend of Genoot van de Matinee

Vrienden

Blijf op de hoogte!

Meld je aan voor de nieuwsbrief.

Video overzicht

Richard Wagner
Parsifal | akte 2

  • zaterdag 11 december 2010
  • Radio Filharmonisch Orkest & Groot Omroepkoor o.l.v. Jaap van Zweden

Parsifal: ‘Das große Leid des Lebens’

‘Een metafysisch adagio’ noemde de denker Ernst Bloch het ‘Bühnenweihfestspiel’ Parsifal ooit. Hiermee vatte hij in twee woorden de inhoudelijke en muzikale strekking van Wagners laatste opera samen. Als zoiets trouwens al mogelijk is bij diens muziekdrama’s, want de componist zat nooit verlegen om artistieke en niet-artistieke uitspraken over de wereld in het algemeen en het heelal in het bijzonder. Wagners muziektheater handelt over fundamentele vragen rond de menselijke existentie. Tristan und Isolde gaat over een allesverzengende liefde, maar ook over de implicaties van liefdesverlangen en doodsdrift. Het werk gaat eveneens over de definiëring van een eigen identiteit door middel van liefde en het verlies van die identiteit door diezelfde liefde. Der Ring des Nibelungen gaat over de onverenigbaarheid van liefde en machtsstreven, maar is ook een diepgaande exploratie van de vraag of de mens over een vrije wil beschikt of niet, en het werk gaat bovendien over de eeuwige cyclus van vernietiging en vernieuwing waarin de mensheid op deze aardbol gevangen zit.

Parsifal gaat over al het bovenstaande en nog veel, veel meer. Wagner zelf definieerde de thematiek van zijn zwanenzang als ‘Das große Leid des Lebens’. Alles wat hij aan het einde van zijn leven nog te zeggen had over leven, liefde, seksualiteit, psychologie, politiek, maatschappij, natuur, kunst, christendom, boeddhisme, jodendom en antisemitisme mengde hij in een – volgens sommigen giftige – graalsbeker tot een wervelend ‘metafysisch adagio’ van vier uur sacraal muziekdrama. Sacraal in de letterlijke betekenis van het woord. Wagners eigen genreaanduiding ‘Bühnenweihfestspiel’ betekent een sacraal en feestelijk theaterstuk. De handeling van Parsifal verwijst impliciet en expliciet naar het christendom en de kerkelijke rite. Eén van de vele ambities van Wagner was dan ook het Europese christendom te vervangen door zijn eigen rituele kunst.

Met de Ring had Wagner al een poging in die richting gedaan. In zijn eigen muziektempel in Bayreuth kon de Europese bevolking, na aanschaf van een gepeperd toegangsbiljet, ervaren hoe de revolutionaire held Siegfried alle oude machtsinstituties, inclusief de goden, wegvaagde, om een meer rechtvaardige maatschappij te realiseren. Maar Siegfried had gefaald. Niet alleen in Wagners eigen voorstelling van zaken in de Ring, maar eveneens omdat de componist gaandeweg had ervaren dat de mensheid zich niet altijd wílde laten bevrijden, zelfs niet als hij geduldig uitlegde dat dat in haar aantoonbare voordeel zou zijn. Wagner had zelf onder ogen gezien dat de utopie van de opofferende liefde, waarmee Brünnhilde de Ring toch nog tot een soort van happy end brengt, op een hersenschim stoelde.

Arthur Schopenhauer had Wagner al gewezen op de naakte, darwiniaanse strijd van het bestaan, zonder de illusie van een of andere beschaving. De mens werd voortgedreven door een blinde wil, de levensdrift – ook herkenbaar in de voortplantingsdrift – en de doodsdrift. Al het andere was ‘voorstelling’, oftewel, een mooie maar vrij nutteloze hersenschim. Liefde en liefdesgevoelens zijn volgens Schopenhauer dan ook niet meer dan een uitingsvorm van die voortplantingsdrift. Wagner komt, met Schopenhauer, tot een simpele conclusie: ‘Alle leven is lijden’. Slechts op twee manieren kon de mens zich aan dat nietsontziende egoïsme van de redeloze wil onttrekken: door middel van volledige uittreding uit het wereldse leven en het strikt afwijzen van de verleidingen daarvan, zoals monniken dat doen, of, tijdelijk, door het beleven van de overweldigende natuur of een subliem kunstwerk, en dan met name de kunst van de muziek.

Het probleem ‘liefde’

Na de Ring moest Wagner het ‘probleem’ van de liefde in een nieuw werk tot een oplossing brengen. Dat werd Parsifal. Het essentiële verschil met al zijn voorgaande werken is het feit dat in Parsifal geen liefde meer voorkomt. Alle personages leven in een liefdeloos universum, waarin alleen de voortplantingsdrift, de lust, is overgebleven. Wat Wagner daar tegenover stelt, valt vooralsnog te bezien, maar één zaak is hier van belang. Met Schopenhauer beschouwt Wagner die voortplantingsdrift niet als moreel verwerpelijk. Hij situeerde Siegfried, die in de Ring al aan eenzelfde euvel leed, in een amoreel en geen immoreel universum, in een wereld waarin de moraal niet wordt overtreden, maar waarin iedere moraal ontbreekt. Dat is ook in Parsifal het geval, en dat is ten dele het geheim van Wagners grote succes in de negentiende eeuw.

Afgezien van de muzikale fascinatie is er ook een inhoudelijke. Het victoriaanse Europa zuchtte onder een groot schuldbesef over zijn lichamelijkheid en seksualiteit. Het katholicisme en het protestantisme lieten weinig tot geen ruimte voor het fysiek positief beleven van liefde en lust. Wagner wist als geen ander welke grote psychische druk hierdoor werd veroorzaakt. Hij probeert daarom de morele last af te werpen en de seksualiteit uit het christelijke systeem te tillen. Hij neemt als kunstenaar de zonden weg waar de wereld onder gebukt gaat. Parsifal vormt het sluitstuk van die ambitie. Tegelijkertijd probeert hij de ‘van schuld verloste’ mensheid in zijn eigen richting te bewegen: zijn kunst zal uiteindelijk de christelijke moraal in Europa geheel vervangen.

Maar Wagner besefte eveneens dat de psychische druk van de seksualiteit ‘an sich’ geen geconstrueerd christelijk onderdrukkingsmechanisme, maar een ingebouwd menselijk tekort was. Aangezien de mens daar niet uit kon ontsnappen, ontwikkelt hij in Parsifal een geheel eigen ‘amorele ethiek’. Uitgerekend met de attributen van het christendom zelf gaat hij aan de haal.

Centraal in het werk staat de graal, de beker waaruit Christus en zijn discipelen bij het Laatste Avondmaal zouden hebben gedronken en waarin de transsubstantiatie van wijn naar bloed had plaatsgevonden. In diezelfde beker had – volgens een vroegchristelijke legende – Jozef van Arimathea het bloed van de gekruisigde Christus opgevangen, toen diens zij met een speer werd doorboord. De heilige Drieëenheid van Vader, Zoon en Heilige Geest keert in Parsifal terug als vader Titurel, zoon Amfortas, en Parsifal als representant van de Heilige Geest. In het libretto wordt Christus meermaals genoemd, en de hele rite die in de graalsburcht plaatsvindt, lijkt in alles op een heilige mis, met inbegrip van de eucharistie. Parsifal keert aan het slot van het verhaal naar de graalsburcht terug op Goede Vrijdag, de dag dat Christus aan het kruis stierf. Dan doopt hij ook Kundry tot christen.

Parsifal, de ‘zuivere dwaas’

Het enigmatische personage van Parsifal zelf, de bijna geslachtsloze jongeling, belichaamt voor Wagner de oplossing van het aardse dilemma. Hij is een ‘reine Tor’, een zuivere dwaas, de naïeve onschuld zelve, en in die zin een metafysisch en utopisch symbool. Maar nu geen liefde meer, zoals in de utopie van de Ring, maar een utopie van het ‘medelijden’, waarbij Wagner refereert aan het christelijke passie-begrip, dat zijn voorganger Bach al gethematiseerd had. Onder medelijden verstaat Wagner de erkenning dat het leven uit lijden bestaat en dat het ultieme begrip voor die wereld in het medegevoel voor dat lijden ligt. Daarom is Parsifal een ‘reine Tor’ die ‘durch Mitleid wissend’ wordt. Alleen met dit medelijden kunnen wij ons van onze egoïstische driften bevrijden en werkelijk iets constructiefs voor de wereld betekenen. De beste manier om dit medelijden op te wekken en zich daarvan bewust te worden ligt in de ‘medelijden opwekkende’ muziek, en dat is de muziek die Wagner voor Parsifal schreef. Dat is het ‘metafysische adagio’ dat uiteindelijk tot verlossing zal leiden.

Sterker nog: de Verlosser zelf – Parsifal die de Christus-rol van Amfortas heeft overgenomen – zal in die daad van medelijden ook zelf worden verlost. De laatste woorden van het werk luiden dan ook: ‘Erlösung dem Erlöser’.

Kundry’s dubbelleven

In deze kluwen van metafysische betekenissen en lichamelijke symboliek heeft Wagner nóg een ander belangrijk element verwerkt. Zijn middeleeuwse bron van het Parzival-epos, waarbij hij voornamelijk uitging van de tekst die Wolfram von Eschenbach kort na 1200 op schrift stelde, zette de componist geheel naar zijn hand. De kern van Wagners vertelling ligt in de band tussen graalridder Amfortas en de mysterieuze vrouw Kundry, die van Arabische oorsprong is. De historische aanleiding tot het epos was de verovering in de achtste eeuw van Spanje door de Arabieren, terwijl het verhaal zelf rond het jaar 1000 speelt. De graalsburcht op Montsalvat zou in het christelijke Noord-Oost Spanje (rond Barcelona) hebben gelegen terwijl de rest van het land in moslimhanden was. De graalridders bevechten de moslims, maar exact op het grensgebied ligt de burcht van Klingsor, de afvallige monnik-graalridder die met behulp van een toverslot, een tovertuin en betoverde bloemenmeisjes – lees: verleidelijke moslimvrouwen – de kuise ridders van de graalsburcht in het verderf probeert te storten. Zijn troef is de Arabische Kundry, die eerder Amfortas heeft verleid. Amfortas weet met de hulp van Gurnemanz te vluchten, maar raakt wel de heilige speer kwijt aan Klingsor, die hem daarmee een ernstige wonde in zijn zij toebrengt. Daarmee is de graalswereld ‘speerloos’ geworden en dus uit evenwicht geraakt. De wereld van de graalridders-monniken raakt vanaf dat moment steeds verder in verval. Bovendien kan Amfortas alleen genezen door aanraking met die kwijtgespeelde speer.

Kundry speelt in dit alles een ondoorgrondelijke rol. Zij leidt een dubbelleven. Zij is de ene keer femme fatale, en de andere keer een trouwe dienares van de graalridders. In de tweede akte, als zij Parsifal probeert te verleiden, blijkt hoezeer zij zelf op een tragische wijze gebukt gaat onder haar lusten. Zij vertoont daarbij pre-freudiaanse trekken van hysterie. Als zij Parsifal kust, brengt zij in hem de essentiële bewustwording tot stand. Parsifal leert de seksualiteit dus in beginsel kennen, en met dat besef wijst hij haar meteen af. Kundry en Amfortas zijn elkaars spiegel, als de archetypische vrouw en man. Het is Parsifals medelijden met het lot van deze twee mensen, die hem het noodzakelijke inzicht tot verlossing verschaft en waardoor hij de verleiding van Kundry kan weerstaan. Doordat Parsifal de speer naar de graalsburcht kan terugbrengen, herstelt hij het evenwicht binnen die monastieke gemeenschap. Kundry is eveneens aanwezig bij die ultieme verlossing, als een inmiddels gedoopte, volledig getemde en haast monddood gemaakte vrouw. Haar krachten zijn geneutraliseerd, en bij Parsifals verlossing sterft zij zelfs.

De graalridders kunnen nu voort met… Tja, met wat eigenlijk? Hun kuise, vrouwloze bestaan? Is dat de nogal vrouwvijandige boodschap van de componist? Komt de graalsgemeenschap in een vermeend hoger levensstadium van zuivere geslachtsloosheid terecht? Wagner suggereert dat, na het door driften en verleiding veroorzaakte verval, de verlossing uit onthouding, uit ascese, uit ‘Resignation’ bestaat. Of zijn het mannelijke en het vrouwelijke, Amfortas en Kundry, de verwondende fallische speer en de ontvangende met bloed gevulde graalskelk – zoals die in de mythische traditie rond de graal figureren – eindelijk met elkaar verzoend? Is de gedachte aan een vernieuwing, een ‘regeneratie’ van de graalswereld misschien vooral nodig omdat die gemeenschap nu juist met ‘onzuiver’ bloed vervuild was geraakt? Het onzuivere bloed kwam van de Arabische, niet-Arische (en daarmee misschien wel joodse) Kundry. Het was Kundry die in één van haar vele incarnaties de gekruisigde Christus had beledigd en uitgelachen. Wie de sluitende oplossing heeft mag het zeggen!

Hypnotiserende draaikolk

De muziek van Parsifal veroorzaakte bij de première in 1882 een schok in Europa. Men was inmiddels wel wat gewend van de Meester uit Bayreuth. In zijn Tristan und Isolde was chromatiek en dissonantie al hoofdbestanddeel geworden. In de Ring had de techniek van de zich ontwikkelende Leitmotive haast alle andere structuurelementen vervangen. Met Parsifal weet de bijna zeventigjarige Wagner zijn toehoorders opnieuw te verrassen. Herkenbare melodieën en zelfs herkenbare Leitmotive zijn grotendeels opgenomen in een groter, algeheel vloeiend klankbeeld, dat zijn structuur ontleent aan de ‘unendliche Melodie’. Deze techniek had Wagner ontwikkeld in Tristan, en zij bestaat uit een cyclische herhaling van het muzikale materiaal, waarin een continuerende of stijgende harmonische ontwikkeling plaatsvindt. Klanklaag over klanklaag laat hij steeds opnieuw in elkaar overvloeien. Ongetwijfeld speelde de akoestiek van het Festspielhaus een grote rol hierbij. De Ring was er weliswaar voor het eerst uitgevoerd in 1876, maar gecomponeerd zónder de akoestische ervaring van die zaal. Parsifal schreef Wagner met de mysterieuze klankkwaliteiten van dat theater in zijn hoofd. Deze allesoverheersende klankvermenging leverde hem ook het predicaat van ‘versluieraar’ op. In plaats van de muzikale structuur te tonen, wordt alles – melodie, harmonie, toonhoogte, orkestratie, ritme, tempo – onzichtbaar in het algehele klankbeeld opgenomen.

De Leitmotive, die in de Ring nog zo pregnant hoorbaar waren, hebben in Parsifal een andere gedaante, en deels ook een andere functie gekregen. Zij zijn veel meer psychologische Leitmotive geworden, die als klanksymbolen de gemoedstoestanden van de personages weergeven, op een veel diffusere en meer mysterieuze manier dan voorheen. Natuurlijk zijn er nog herkenbare motieven, zoals het graalsmotief, dat gebaseerd is op een oude protestantse koraal, het Dresdner Amen, dat ook in Mendelssohns Vijfde (‘Reformatorische’) symfonie klinkt. En er is ook een Avondmaalsmotief, een speermotief, een Goede-Vrijdagmotief, een Kundry-motief, een Parsifal-motief etcetera.

Met een grote simplificatie zijn het eerste en het derde bedrijf, die zich rond en in de graalsburcht afspelen, wel eens diatonisch genoemd, terwijl het middenbedrijf, waarin de verscheurde wereld van Kundry en Klingsor wordt geportretteerd, chromatisch zou zijn. Deels klopt dat, maar Wagner is hier juist een meester in de vermenging van alles met alles. Door de enorm uitgesponnen muzikale lijnen, die met hun steeds herhaalde minimale intervallen vaak aan minimal music doen denken, wordt alles, ook de gedragen, recitativische zangstijl, in één trage, hypnotiserende draaikolk opgenomen – Blochs ‘adagio’! Die kolk krijgt in het tweede bedrijf een dissonantere versnelling. Vervolgens horen we in het derde bedrijf duidelijk hoe de schijnbare diatoniek van het eerste is aangetast door de chromatiek van het tweede bedrijf. De tweede intocht in de graalsburcht is daarmee een harmonisch ‘verziekte’ versie van de eerste. Juist deze ‘zieke’ harmonieën, waarvoor het eeuwenoude tonale systeem als sneeuw voor de zon lijkt weg te smelten, veroorzaakte de grootste onrust. Wagner zou de muziek nu voorgoed hebben aangetast en ten grave hebben gedragen.

Inderdaad stond Parsifal, net als Tristan, aan de wieg van de volledige onttakeling van het tonale systeem na 1900. Met Debussy en Schönberg bleef er uiteindelijk weinig over van de klare taal van Bach, Mozart en Beethoven. Tegelijkertijd kreeg Parsifal een conservatieve cultstatus. Er ontstond een ware religieuze sekte rondom het werk. Tot in 1933, een halve eeuw lang dus, werd het Bühnenweihfestspiel onveranderd in het Festspielhaus uitgevoerd – met de decors van 1882 en in de regie van de Meester zelf. Een jaar na de eerste uitvoering was Wagner in Venetië gestorven. Cosima Wagner zorgde ervoor dat het werk alleen in Bayreuth mocht worden uitgevoerd. Dat was juridisch echter moeilijk te realiseren en kon alleen tot een maximale termijn van dertig jaar gelden voor landen die zich aan het verdrag voor auteursrechten hadden gecommitteerd. Niet iedereen wachtte tot de rechten vrijkwamen in 1914. De Metropolitan Opera in New York kwam in 1903 met een ‘roofversie’, maar 1902 had de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst al een integrale uitvoering gegeven in Nederland, en in 1905 volgde de Wagnervereeniging in Amsterdam. Dat riep de toorn op van Cosima, die vond dat het reine werk van haar overleden man zo bezoedeld werd. Maar zij kon niet voorkomen dat Europa in de ban raakte van dit ‘metafysische adagio’ en voorgoed gehypnotiseerd werd.

Willem Bruls

Uitvoerenden

Jaap van Zweden

Jaap van Zweden is Music Director van het Dallas Symphony Orchestra, chef-dirigent van het Radio Filharmonisch Orkest en chef-dirigent van deFilharmonie in België.

Jaap van Zweden, geboren in Amsterdam, begon zijn carrière als violist. Hij studeerde aan het Conservatorium in Amsterdam en de Juilliard School in New York. Op 19-jarige leeftijd werd hij aangesteld als concertmeester van het Koninklijk Concertgebouworkest. Als solist en concertmeester werkte hij samen met dirigenten als Haitink, Dorati, Kondrashin, Bernstein, Giulini, Solti en Chailly. In 1995 startte hij zijn dirigentenloopbaan. Korte tijd later debuteerde hij in Carnegie Hall en maakte hij diverse tournees, zowel binnen Europa als naar onder andere Japan en Zuid-Amerika. Van 2000 tot 2005 was hij chef-dirigent van het Residentie Orkest. In augustus 2005 trad Jaap van Zweden aan als chef-dirigent van de klassieke orkesten van het Muziekcentrum van de Omroep in Hilversum. Met het Radio Filharmonisch Orkest gaf hij lovend ontvangen concerten tijdens het Singapore Sun Festival en maakte hij concertreizen naar onder meer Manchester, Birmingham, Berlijn, Wenen en Keulen. Jaap van Zweden is geregeld te gast bij de grote orkesten in de Verenigde Staten, Japan en Europa.

Naast het symfonische repertoire speelt opera een belangrijke rol in Van Zwedens carrière. In de afgelopen seizoenen dirigeerde hij Fidelio van Beethoven, La traviata van Verdi en Vanessa van Barber. Bij De Nederlandse Opera maakte hij zijn debuut met Puccini’s Madama Butterfly. In de ZaterdagMatinee dirigeerde hij de zeer lovend ontvangen concertante uitvoeringen van Wagners Lohengrin en Die Meistersinger von Nürnberg.

Hoogtepunten van de afgelopen seizoenen waren Van Zwedens debuutoptredens met de New York Philharmonic, Boston Symphony Orchestra, Chicago Symphony Orchestra, Atlanta Sym­phony, Saint-Louis Symphony en het Tonhalle Orchester Zürich. Hij is teruggevraagd bij het Philadelphia Orchestra, Orchestre National de France, Hong Kong Philharmonic en het London Philharmonic Orchestra. In het seizoen 2010-2011 zal hij zijn debuut maken op de BBC Proms. Jaap van Zweden nam met het Residentie Orkest de complete symfonieën van Beethoven op. Met het Radio Filharmonisch Orkest bracht hij de symfonieën van Brahms uit en neemt hij momenteel voor Challenge Records alle symfonieën van Bruckner op. Mahlers Vijfde symfonie werd opgenomen met het London Philharmonic en Sjostakovitsj’ Vijfde met deFilharmonie. Op het label van het Dallas Symphony Orchestra zijn inmiddels opnamen van symfonieën van Tsjaikovski en Beethoven uitgebracht. In augustus 2010 nam Van Zweden pianoconcerten van Mozart op met het Philharmonia Orchestra en David Fray.

Eberhard Friedrich

Eberhard Friedrich, geboren in Darmstadt, studeerde directie bij Helmuth Rilling in Frankfurt am Main. In 1986 werd hij aangesteld als koordirigent bij het theater van Koblenz. Vijf jaar later aanvaardde hij deze functie bij het Hessische Staatstheater in Wiesbaden. In 1991 startte hij als assistent-dirigent bij de Bayreuther Festspiele; in 2000 werd hij benoemd tot koordirigent van het festivalkoor. Sinds 1998 is Eberhard Friedrich tevens koordirigent van de Staatsoper Unter den Linden. Zijn kwaliteiten kwamen in het bijzonder aan het licht in Daniel Barenboims opname van Tannhäuser, die met een Grammy Award werd onderscheiden. Voor zijn aandeel in Schönbergs Moses und Aron, eveneens onder leiding van Barenboim, werd het koor van de Staatsoper in 2004 uitgeroepen tot ‘Koor van het jaar’. Eberhard Friedrich werkte verder in uiteenlopende producties met talloze andere koren, waaronder de Internationale Bachacademie in Stuttgart, het jongerenkoor van Baden-Württemberg, de koren van Krakau, Tallinn en Vilnius, het Praags Philharmonisch Koor en het radiokoor van Bavaria. Ook was hij te gast bij het Rundfunkchor Berlin, het RIAS Chamber Choir, het Groot Omroepkoor en het koor van Westminster College.

Falk Struckmann | Amfortas

Na zijn Bayreuther Festspiele-debuut in 1993 als Kurwenal zong de Duitse bas-bariton Falk Struckmann vele rollen bij de Berliner Staatsoper: in Der fliegende Holländer, Lohengrin, Die Meistersinger von Nürnberg, Der Ring des Nibelungen, Parsifal, Fidelio, Elektra, Salome en Wozzeck. Eveneens in de jaren ’90 debuteerde hij in de Scala als Siegfried onder Riccardo Muti en de New Yorkse Met als Wozzeck onder James Levine. Hij zong bovendien dikwijls bij de Wiener Staatsoper. In Bayreuth werkte Struckmann mee in de Ring onder Levine en Christian Thielemann en vertolkte hij de rol van Amfortas o. Bij de Salzburger Festspiele trad hij op in Tristan und Isolde en Hertog Blauwbaards burcht. In Covent Garden in Londen zong hij in Parsifal, in de Opéra in Parijs in Der fliegende Holländer, en in het Liceu in Barcelona in de Ring. Bij het aantreden van Simone Young als chef-dirigent bij de Staatsopera van Hamburg zong hij in Hindemiths Mathis der Maler. Een complete Ring en Pfitzners Palestrina volgden. Falk Struckmann trad recentelijk op in de Carnegie Hall in New York, waar Pierre Boulez dirigeerde. Hij draagt de eretitel ‘Kammersänger’ bij zowel de Berliner als de Wiener Staatsoper.

Ante Jerkunica | Titurel

De bas Ante Jerkunica werd in Kroatië geboren en vertegenwoordigde zijn land in 2007 bij de BBC Cardiff Singer of the World Competition. Na een aantal rollen bij de Nationale Opera van Zagreb en het Nationale Theater van Split sloot hij zich in augustus 2007 aan bij de Deutsche Oper Berlin, waar hij onder andere Basilio in Il barbiere di Siviglia, Bartolo in Le nozze di Figaro, Fafner in Siegfried en Colline in La bohème zong. Gast-engagementen brachten hem naar de Muntschouwburg in Brussel, waar hij optrad als Faust in Prokofjevs Vuurengel, de Hamburgische Staatsoper (Pietro in Simone Boccanegra) en de Opéra de Lyon (Soerin in Schoppenvrouw). In 2008 maakte hij zijn Salzburger Festspiele-debuut als 2. Geharnischter in Die Zauberflöte, om het daaropvolgende jaar terug te keren als Voix mysterieuse in Rossini’s Moïse et Pharaon. Daarna was hij te gast bij de Opera van Bilbao (Truffaldin in Ariadne auf Naxos), de Staatsoper Berlin (Dottore Grenvil in La traviata) en het Konzerthaus Wien (Brander in La damnation de Faust). Vorig seizoen vertolkte hij bij de Oper Köln de rollen van Groot-inquisiteur in Don Carlo en Fafner in Das Rheingold en Siegried. Op het concertpodium zong hij onder andere Verdi’s Requiem, Beethovens Missa solemnis en Dvoráks Requiem. De rol van Titurel zal Ante Jerkunica dit seizoen nog zingen in het Gran Teatro del Liceu in Barcelona.

Robert Holl | Gurnemanz

Robert Holl werd in 1947 geboren in Rotterdam en won op zijn 24ste de eerste prijs van het Internationaal Vocalisten Concours in ’s-Hertogenbosch. Daarna studeerde hij bij Hans Hotter in München, waar hij tussen 1973 en 1975 tegelijkertijd zijn eerste engagement had aan de Bayerische Staatsoper. Daarna trad hij overwegend als concertzanger op met dirigenten als Eugen Jochum, Karl Richter en Wolfgang Sawallisch. Maar al geruime tijd was Robert Holl ook in operaproducties te horen en te zien, onder meer bij de Wiener Staatsoper, de Brusselse Munt en sinds 1991 in het Zürcher Opernhaus met rollen als Sarastro in Die Zauberflöte en Don Basilio in Il barbiere di Siviglia en met dirigenten als Claudio Abbado, Nikolaus Harnoncourt en Franz Welser-Möst. Bij de Deutsche Staatsoper in Berlijn zong Robert Holl onder Daniel Barenboim als Landgraf Hermann in Tannhäuser, als Hans Sachs in Die Meistersinger von Nürnberg en als Daland in Der fliegende Holländer. Bij de Wiener Staatsoper zong hij de rol van Koning Marke in Tristan und Isolde onder Christian Thielemann. Bij de Bayreuther Festspiele was Robert Holl vanaf 1996 als bejubelde Hans Sachs in Die Meistersinger von Nürnberg te horen. In 2004 zong hij voor het eerst de rol van Gurnemanz in een nieuwe productie van Wagners Parsifal onder leiding van Pierre Boulez. Daarnaast geldt Robert Holl als een van de meest succesvolle liedzangers van onze tijd, met een voorkeur voor het Duitse en Russische repertoire. In 1998 werd hij benoemd tot Professor für Lied und Oratorium aan de Universität für Musik und Darstellende Kunst in Wenen. Robert Holl is een veel gevraagd docent van masterclasses en Schubertiaden in Nederland en Oostenrijk.

Eerder in de Matinee: o.a. Verdi Ernani­ (1972), Tsjaikovski Jevgeni Onegin (1973), Rachmaninov Aleko / De Klokken (1974), Tsjaikovski Iolanta (1975), Martin Der Sturm (2008), Wagner Die Meistersinger (2008)

Klaus Florian Vogt | Parsifal

Klaus Florian Vogt studeerde hoorn en was eerste hoornist in de Philharmoniker in Hamburg, toen hij een zangopleiding begon. Sinds de tenor zich in 1998 bij de Semperoper in Dresden aansloot, zong hij rollen als Tamino in Die Zauberflöte, Hans in De verkochte bruid en Matteo in Arabella en de titelrol in Lohengrin. Sinds 2003 werkt hij zelfstandig en vertolkte rollen als Stolzing in Die Meistersinger, Parsifal, en Erik in Der fliegende Holländer (Hamburg) en Loge in Das Rheingold (Dresden), Paul in Korngolds Die tote Stadt (Amsterdam), Florestan in Fidelio (Keulen en later in Los Angeles) en Siegmund in Die Walküre. In 2006 debuteerde hij bij de Metropolitan Opera in New York als Lohengrin, een rol die hij in La Scala in Milaan herhaalde. Na Andrej in Chovansjtsjina te hebben gezongen in München, maakte hij zijn Bayreuther Festspiele-debuut als Walter von Stolzing in Die Meistersinger. De Wiener Staatsoper engageerde Klaus Florian Vogt voor rollen als Erik, Lohengrin en Paul (Die tote Stadt), in Amsterdam zong hij Kaiser in Die Frau ohne Schatten, en bij de Staatsoper in Berlijn verscheen hij als Stolzing. Dit jaar staan nieuwe producties van Die tote Stadt in Madrid, Parsifal in Genève, Der fliegende Holländer bij de Opéra Bastille, Die Meistersinger in Bayreuth en de rol van Prins in Roesalka bij de Bayerische Staatsoper op het programma.

Eerder in de Matinee: Beethoven Negende symfonie (2003); Wagner Lohengrin (2008)

Krister St.Hill | Klingsor

Het repertoire van de Zweeds-Trinidadiaanse bariton Krister St.Hill bevat zeer uiteenlopende rollen, van Fliegende Holländer tot Sportin’ Life in Porgy and Bess. Hij debuteerde als Escamillo in Carmen in Stockholm en zong de rol van Donny in Michael Tippetts laatste opera New Year bij de Houston Grand Opera, in Glyndebourne en, concertant, voor de BBC in de Royal Festival Hall in Londen. Op cd zong hij de titelrol in Krˇeneks Johnny spielt auf, en in het openingsseizoen van het nieuwe operahuis in Göteborg zong hij Der fliegende Hollander. Zowel in Göteborg als bij de Koninklijke Opera van Stockholm zong hij Jochanaan in Salome, Amonasro in Aida en Scarpia in Tosca, maar St.Hill trad dit voorjaar ook op in Scott Joplins opera Treemonisha in het Théâtre Chatelet in Parijs. In Göteborg zong hij Ankerström in Gustavo III, de originele versie van Verdi’s Un ballo in maschera. De rol van Telramund in Lohengrin zong hij bij de Opera van Keulen, Klingsor zong hij bij de Opera van Göteborg.

Katarina Dalayman | Kundry

Na haar debuut als Brünnhilde in Die Walküre, Siegfried en Götterdämmerung bij de Koninklijke Opera van Stockholm herhaalde de Zweedse sopraan Katerina Dalayman deze rollen in Aix-en-Provence, bij de Osterfestspiele Salzburg en concertant met het Hallé Orchestra in Manchester. Het seizoen 2010-11 is grotendeels gevuld met Wagner. Bij de Opéra National de Paris zingt zij opnieuw in Die Walküre en Götterdämmerung, en zij zingt de complete Ring bij de Staatsoper in Hamburg. Bij de Semperoper in Dresden treedt zij op als Isolde. Daarnaast is zij in Stockholm te horen als Elektra. Eerder zong Katarina Dalayman rollen als Marie in Wozzeck (Brussel, Parijs, New York en Maggio musicale Florence), Elisabeth in Tannhäuser (München), Die Meistersinger (Stuttgart), Lisa in Schoppenvrouw (Chicago, New York, San Francisco en München), Ariadne (Milaan, Brussel, Dresden en München), Hertogin van Parma in Busoni’s Doktor Faustus (New York en Salzburger Festspiele), Brangäne in New York, Kundry in Parijs, Katarina in Sjostakovitsj’ Lady Macbeth van het district Mtsensk en Sieglinde (Covent Garden, Stockholm en de Metropolitan Opera). Op het concertpodium trad zij op met dirigenten als Riccardo Chailly, Sir Colin Davis, James Levine, Wolfgang Sawallisch, Mark Elder en Myung-Whun Chung. Katarina Dalayman is sinds december 2000 Hovsångere (Zanger van het Zweedse hof) voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Koning van Zweden.

Brenden Gunnell | Erster Gralsritter

Brenden Gunnell werd in Amerika geboren, zong van jongs af in een koor, en zong tijdens zijn studie aan het Curtis Institute of Music in Philadelphia rollen als Brittens Albert Herring en Tamino in Die Zauberflöte. De tenor sloot zich aan bij de Operastudio in Amsterdam en vertolkte de titelrol in Händels Belshazzar. Sinds het seizoen 2007-08 maakt Brenden Gunnell deel uit van het ensemble van het Tiroler Landestheater in Innsbruck. Daar stond hij op het podium als Beppo in Pag­liacci, Quint in The Turn of the Screw, Loge in Das Rheingold, Peter Iwanow in Zar und Zimmermann, Narr en Andres in Wozzeck, Iopas in Les Troyens, Tamino, en Matteo in Arabella.

Thilo Dahlmann | Zweiter Gralsritter

In seizoen 2006/07 maakte de in 2007 afgestudeerde Duitse bas-bariton Thilo Dahlmann deel uit van de Internationale Operastudio van de Opera van Zürich. Hij zong bovendien bij de Deutsche Oper am Rhein in Düsseldorf, de Wuppertal Bühnen en de theaters van Koblenz en St. Gallen. Hij vertolkte vele rollen onder dirigenten als Helmuth Rilling, Peter Neumann, Franz-Welser-Möst, Nello Santi, Philippe Jordan, Helmut Müller Brühl, Andreas en Christoph Spering, Masaaki Suzuki en Ralf Otto. Zijn optredens leidden hem naar de Philharmonie van Keulen en Essen, het Festivaltheater Baden-Baden, de Arsénal in Metz, de Tonhalle van Zürich en Düsseldorf, Tokyo en het Amsterdamse Concertgebouw. Thilo Dahlmann is op dit moment docent aan de Keulse Hochschule für Musik, afdeling Wuppertal.

Julia Westendorp | Erster Knappe

Julia Westendorp studeerde in Tilburg en Den Haag, en wordt op dit moment gecoacht door Charlotte Margiono, Peter Nilsson en Alexander Oliver. Zij nam deel aan masterclasses bij Roberta Alexander, Gabriela Araya en Nelly Miricioiù. Op haar repertoire heeft de sopraan rollen als Second woman in Purcells Dido and Aeneas, Monica in The Medium van Menotti, Barbarina in Le nozze di Figaro, Michaëla in La Tragédie de Carmen van Bizet/Brooks en Mme Lidoine in Poulencs Dialogues des carmélites; als afstudeerproject zong zij Donna Anna in Don Giovanni bij De Nieuwe Opera Academie. In het oratorium- en liedrepertoire was zij te horen in het Amsterdamse Concertgebouw, de Doelen in Rotterdam, het Muziekcentrum Frits Philips in Eindhoven, de concertzaal van Tilburg en de Dr. Anton Philipszaal in Den Haag. Recentelijk zong zij Griegs Peer Gynt in concerten met Het Gelders Orkest en was zij op radio te horen. Ook nam zij deel aan ‘residency’s’ tijdens het Festival in Aix-en-Provence.

Cécile van de Sant | Zweiter Knappe

De Nederlandse mezzosopraan Cécile van de Sant zong operarollen als La Messagiera en Proserpina in Monteverdi’s L’Orfeo (Bayerische Staatsoper, München) en Speranza (Teatro Liceu, Barcelona), Orfeo in Glucks Orfeo ed Euridice(Scottish Opera), Iphigénie en Tauride (Royal Opera House, Covent Garden) en Sorceress in Dido and Aeneas (Opéra de Lausanne). Daarnaast zong zij vele Händelrollen, waaronder Queen of Sheba in Solomon (Israel Philharmonic Orchestra), Cyrus in Belshazzar en Irene in Atalanta (San Francisco), Goffredo in Rinaldo (Händel Festspiele, Göttingen), Cornelia in Giulio Cesare (Opera Ireland en Händel Festival Göttingen) en Medea in Teseo (Britten Theatre, Londen). Haar concert- en oratoriumrepertoire omvat Bachs Hohe Messe (met Jordi Savall), Händels Messiah (De Nederlandse Bachvereniging o.l.v. Jos van Veldhoven), Mozarts Requiem (onder Jaap van Zweden), Elgars The Dream of Gerontius (RTE Dublin), Mahlers Lieder eines fahrenden Gesellen, Kindertotenlieder en Das Lied von der Erde. Zij zong bovendien de Nederlandse première van Rihms Deus Passus (Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Marcus Stenz).

Eerder in de Matinee: Zandonai Francesca da Rimini (2000); Bernstein Trouble in Tahiti, Barber A Hand of Bridge (2000); Britten Owen Wingrave (2003)

Jeroen de Vaal | Dritter Knappe

Jeroen de Vaal zong rollen als Tamino in Die Zauberflöte, Hänschen in Benoit Merniers Frühlings Erwachen, Daifilo in Granida van P. C. Hooft en Belial tijdens de wereldpremière van Robert Zuidams Adam in Ballingschap. Dit seizoen vertolkte hij bij De Nederlandse Opera de rol van Erste junge Offizier in Die Soldaten van Zimmermann en zal daar terugkeren als Squeek in Brittens Billy Budd. Jeroen de Vaal werkte in operahuizen als De Nederlandse Opera, Opera Zuid, De Vlaamse Opera, De Munt, de Opéra National de Lyon, de Opéra National du Rhin, Le Grand Théâtre de Luxembourg en aan de Wiener Kammeroper. Als concertzanger soleerde hij in Passionen en cantates van Bach, de Hohe Messe en het Weihnachts-Oratorium, missen van Mozart en diens Requiem, Membra Jesu Nostri van Buxtehude, Die Schöpfung en missen van Haydn, Carmina Burana van Orff en Otcˇe Náš van Janácˇek. Jeroen de Vaal maakt deel uit van het ensemble Frommermann en treedt op met pianiste Shuann Chai en sopraan Tamar Niamut (zoals op het Grachtenfestival 2010).

Pascal Pittie | Vierter Knappe

De Nederlandse tenor Pascal Pittie maakte zijn debuut als Albert Herring bij de Vlaamse Opera. Sindsdien zong hij Tamino in Die Zauberflöte (Opera RAI in Amsterdam), Kohout in Het sluwe vosje, Diener in Capriccio en 2. Schäfer in Daphne (alle bij De Nederlandse Opera), Erster Offizier in Der Prinz von Homburg van Henze en Barbarigo in I due Foscari (Nationale Reisopera), Célenite in Un petit voyage dans la lune van Offenbach (Opéra de Lyon), Aap in Peter Schats Aap verslaat de Knekelgeest (Zomeropera Alden Biesen) en Prologue en Peter Quint in The turn of the screw (Opera Garden Aberdeen). Meer recent zong hij Bardolfo in Falstaff bij de Vlaamse Opera, Dvorˇáks Requiem bij het Limburgs Symfonie Orkest, Harry in La fanciulla del West bij De Nederlandse Opera en Alfred in Die Fledermaus bij het Noord Nederlands Orkest.

Eerder in de Matinee: Puccini Manon Lescaut (2004); Wagner Die Meistersinger (2009)

Anna Stephany | Blumenmädchen

De Britse mezzosopraan Anna Stephany werkte veel samen met het BBC Sym­pho­ny Orchestra. In 2007 debuteerde zij bij de Proms als Wellgunde in Die Götterdämmerung onder Donald Runnicles en Janácˇeks Glagolitische mis onder Pierre Boulez in 2008 (later ook in Parijs en Ravenna). Verder zong Anna Stephany Dusapins To be sung met het Ensemble intercontemporain, Bachs Matthäus-Passion met het Orchestra of the Age of Enlightenment (Concertgebouw Amsterdam), Elgars The Light of Life (Utrecht), The Mask of Orpheus van Birtwistle (Proms) en Händels Theodora(Gabrieli Consort and Players). Recentelijk zong zij Laurette in Offenbachs La Chanson de Fortunio (Opéra Comique), Pergolesi’s Stabat Mater (BBC Proms met de Early Opera Company onder Christian Curnyn), Stefano in Roméo et Juliette (Staats Symfonieorkest van Rusland) en Hermia in A Midsummer Night’s Dream (Garsington Opera). Dit jaar maakte Anna Stephany ook haar debuut aan het Bolsjoj Theater in Moskou als Orlofsky in Die Fledermaus.

Martina Rüping | Blumenmädchen

Als lid van het ensemble van de operahuizen van Halle en Keulen zong de Duitse sopraan Martina Rüping onder andere Koningin van de nacht, Gilda, Norina, Susanna en Pamina. Sinds 2004 is zij lid van het ensemble van de Bayreuther Festspiele, waar ze de rol van Blumenmädchen onder leiding van Pierre Boulez/Adam Fischer en Daniele Gatti zong. Bij de Bayerische Staatsoper München zong zij Ida in Henzes Der junge Lord en Fiakermilli in Arabella, de rol waarmee zij later debuteerde bij het Théâtre du Capitole de Toulouse. In Los Angeles gasteerde zij als 1. Blumenmädchen onder leiding van Kent Nagano. Bij de Händelfestspiele Halle zong zij Clomiri (Imeneo), Iole (Hercules), Achill (Deidamia), Esilena (Rodrigo) en Magdalena (La resurrezione). Ook zong zij afgelopen seizoen in Rome Asprano in Vivaldi’s Motezuma onder leiding van Alan Curtis. Naast de oratoria van Haydn en de missen van Mozart en Schubert zingt Martina Rüping veel moderne muziek en geeft ze liedrecitals. Haar liedprogramma ‘Das schönste Mädchen Wiens’, tijdens het Festival Classique in Den Haag, werd live op Radio 4 uitgezonden.

Eerder in de Matinee: Haydn Die Schöpfung (2003); Schulhoff Flammen (2005); Oboechov Le troisième et dernier testament (2006); Gebel Der leidende, sterbende und begrabende Jesus (2007); Strauss Des Esels Schatten (2008)

Victoria Joyce | Blumenmädchen

De Britse sopraan Victoria Joyce zong vele rollen bij gezelschappen en festivals als het Aldeburgh Festival, de English Touring Opera en Opera Holland Park. In december 2005 debuteerde zij bij de Hamburgische Staatsoper als Koningin van de Nacht, een rol die zij ook zong bij het Macerata Festival, de Semperoper in Dresden, de Komische Oper in Berlijn en in Fankfurt. Onder de meer recente optredens waren rollen als Contessa di Folleville in Rossini’s Il viaggio a Reims in Frankfurt, een rol die zij eerder had gezongen tijdens het Rossini-Operafestival in Pesaro, Gilda in Rigoletto, Olympia in Les contes d’Hoffmann en Ravels L’enfant et les sortilèges bij de Komische Oper, Musetta in La bohème bij de Welsh National Opera, Véronique van Messager en Quiteria in Mendelssohns Die Hochzeit des Camacho bij het Buxton Festival. Concertoptredens waren er in Villa-Lobos’ Bachianas Brasileiras, Händels Messiah en Orffs Carmina burana.

Silvia Vázquez | Blumenmädchen

De Spaanse sopraan Silvia Vázquez trad op in theaters als de Milanese Scala, het Palau de les Arts Reine Sofia in Valencia (naast Plácido Domingo), het Teatro Communale in Florence, het Konzerthaus Berlin, de Vlaamse Opera in Gent en de Wiener Kammeroper. Zij werkte samen met de dirigenten Lorin Maazel, Zubin Mehta, Carlo Rizzi en Octavio Dantone. Silva Vázquez zong rollen als Lakmé van Delibes, Norina in Don Pasquale, Lucia in Lucia di Lammermoor, Gym Instructress en Drunken Woman in Lorin Maazels 1984, Woglinde in Das Rheingold, Micaela en Frasquita in Carmen en Serpina in Pergolesi’s La serva padrona.

Ute Ziemer | Blumenmädchen

De sopraan Ute Ziemer studeerde in Wenen bij Ruthilde Boesch en Elisabeth Schwarzkopf en volgde masterclasses bij Walter Berry, William Matteuzzi en Jill Feldman. Zij speelde gastrollen bij de Kammeroper in Wenen, bij het Badische Staatstheater Karlsruhe en zong Pamina in Die Zauberflöte, Marzelline in Fidelio, Susanna in Le nozze di Figaro en Adele in Die Fledermaus in het Schloßtheater Schönbrunn. Zij zong liedavonden en oratoria en verleende haar medewerking aan eerste uitvoeringen van eigentijdse muziek. Sinds januari 2010 is Ute Ziemer verbonden aan het Das Meininger Theater, waar zij dit jaar onder andere debuteerde als Agathe in Der Freischütz.

Barbara Kozelj | Blumenmädchen

De mezzosopraan Barbara Kozelj studeerde in Ljubljana (Slovenië) en aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag; daarna werd zij lid van de Nederlandse Opera Studio. Zij werd gecoacht door Phyllis Ferwerda en Anthony Legge; masterclasses volgde ze bij Anne Murray, Graciela Araya, Graham Clark, Mark Tucker en Cynthia Buchan. Recente engagementen omvatten Haydns Nelson-mis en Händels Messiah met de Academy of Ancient Music o.l.v. Richard Egarr, Händels Aci, Galatea e Polifemo met het Gabrieli Consort and Players onder Paul McCreesh in Wenen en Wigmore Hall, de titelrol L’enfant et les sortilèges in een tournee langs de grote Nederlandse theaters, 3. Dame, Flosshilde (Rheingold) en Iuno (Händels Semele) in het Aalto-Theater Essen en Page (Salome) bij De Nederlandse Opera.

Eerder in de Matinee: L. Andriessen Nocturnen (2009)

Radio Filharmonisch Orkest

  • opgericht in 1945 door Albert van Raalte
  • treedt vooral op in de omroepseries NTR ZaterdagMatinee en AVROTROS Vrijdagconcert
  • chef-dirigent sinds 2019: Karina Canellakis
  • haar voorgangers o.a. Paul van Kempen, Bernard Haitink, Jean Fournet, Hans Vonk, Edo de Waart, Jaap van Zweden en Markus Stenz
  • vaste gastdirigent sinds 2023: Stéphane Denève

 

Groot Omroepkoor

  • zingt koorpartijen in opera’s, oratoria en cantates in de concertseries van de Nederlandse Publieke Omroep, en a cappella
  • werkt samen met het Radio Filharmonisch Orkest en Koninklijk Concertgebouworkest.
  • eerste officiële chef-dirigent Kenneth Montgomery
  • chef-dirigent sinds 2020: Benjamin Goodson
  • opgericht in 1945

 

Mannen uit het Staatskoor ‘Latvija’

Het Staatskoor ‘Latvija’, dat in 2012 zijn zeventigste verjaardag viert, is het grootste concertkoor in Letland. Sinds 1997 is Māris Sirmais zijn artistiek leider en chef-dirigent. Behalve op het grote koorrepertoire uit de achttiende, negentiende en twintigste eeuw, legt het koor zich toe op eigentijdse muziek; het is ook te horen in Tom Tykwers film Perfume (2006). Driemaal (in 1998, 2000 en 2002) ontving het koor de Grote Muziekprijs van Letland, in 2003 volgde de Prijs van het Kabinet van Ministers van de Republiek Letland, en 2007 de Prijs van het Ministerie van Cultuur van de Republiek Letland. In recente jaren werkte het koor samen met de belangrijke symfonieorkesten van Singapore, Israël, Duitsland, Frankrijk, Estland, Moskou en St. Petersburg, en kleinere ensembles als het Absolut Ensemble en het Mahler Chamber Orchestra, en werd gedirigeerd door onder anderen Mariss Jansons, Neeme Järvi, Mstislav Rostro­povitsj, Kristjan Järvi, Paavo Järvi, Valery Gergiev, Zubin Mehta, Jeffrey Tate, Vladimir Fedoseyev, Andris Nelsons en Tõnu Kaljuste. Het zong recentelijk werken als The Sealed Angel van Rodion Sjtsjedrin, Chapter Eight van Alexander Knaifel, Deer’s Cry van Arvo Pärt, Itaipu van Philipp Glass en Russisch Requiem van Lera Auerbach.

www.choirlatvija.lv

Gerelateerde concerten

Steun

Word Vriend van de Matinee

Als trouwe bezoekers willen wij een bijdrage leveren aan het in stand houden van het unieke karakter en de hoge kwaliteit van de ZaterdagMatinee. Daarom: word Vriend of Genoot van de Matinee

Vrienden

Blijf op de hoogte!

Meld je aan voor de nieuwsbrief.